Snelzoeken

Vind snel gegevens voor

in gewas


Zoeken
 

Meloidogyne hapla in peen

Het noordelijk wortelknobbelaaltje vermeerdert matig op peen. Bovendien veroorzaken de aaltjes ernstige kwaliteitsschade doordat de penwortel vertakt door het binnendringen van de aaltjes.

Bestrijdingsadvies

  • Teel vóór een gewas wat gevoelig is voor M. hapla een gewas waar de aaltjes zich niet op kunnen vermeerderen. Voor M. hapla zijn dat de monocotyle gewassen, zoals granen, grassen, maïs en verschillende bloembollen. Breedbladig onkruid (dit zijn dicotyle gewassen) moeten dan wel onder controle gehouden worden. Dit heeft dan hetzelfde effect op de afsterving van de M. hapla-aaltjes als een zwarte braak.
  • Vooral vlinderbloemigen vermeerderen M. hapla-aaltjes extreem. Wanneer het mogelijk is haal deze dan helemaal uit het bouwplan.
  • Door grote sterfte bij oplopende temperaturen kan uitstel van zaai- en planttijdstip een sterke verlaging van de besmetting opleveren, waardoor het toch mogelijk is om kwalitatief goede peen te telen.
    In combinatie met het hierboven genoemde kan de toepassing van granulaat in een halve dosering volvelds,  bij een zeer lichte M. hapla besmetting een gunstige invloed hebben op de opkomst en de penvorming. Het effect van een granulaat is sterk afhankelijk van de omstandigheden, waarbij pH en vocht van belang zijn. Resultaten zijn daarom wisselend. Volveldstoepassingen zijn alleen op zand-, dal- en lichte zavelgrond mogelijk, omdat granulaten op zwaardere gronden slecht in te werken zijn. Rijentoepassingen kunnen op lichtere gronden schade voorkomen, maar ze zijn onvoldoende lang werkzaam om aaltjesvermeerderingen te remmen. De teelt van bijvoorbeeld aardappelen, peen en schorseneren blijft risicovol, omdat de enkele individuen die overleven toch grote problemen kunnen veroorzaken.
    Alleen als aanvullende maatregel kan een natte grondontsmetting onder gunstige omstandigheden de besmetting voor een deel saneren. Dit zal als enige maatregel nooit voldoende zijn om (kwaliteits)schadevrij te kunnen telen bij de zeer gevoelige gewassen. Een grondontsmetting kan een verkeerde gewas- en rassenkeuze nooit compenseren!

Vanaf 2001 is natte grondontsmetting eens in de vijf jaar toegestaan. Het moment waarop deze wordt uitgevoerd, is cruciaal. De ontsmetting kan het best na een graangewas worden uitgevoerd. De structuur is dan goed en er is voldoende tijd om goede ontsmettingsomstandigheden af te wachten.
Belangrijk is dat de grond zaaivochtig is en de bodemtemperatuur boven de 7° Celsius ligt.
Het best is de ontsmetting te laten volgen door een gewas dat schadegevoelig is, maar het aaltje slecht vermeerdert, zoals ui. Zo heeft men langer profijt van de ontsmetting.

 

 

Het noordelijk wortelknobbelaaltje veroorzaakt sterk vertakte peen.

Soms leidt aantasting door het Noorderlijk wortelknobbelaaltje niet tot vertakkingen maar tot afstomping. De knobbels zijn duidelijk zichtbaar op de rest van het wortelstelsel. Het kenmerkende is dat de knobbeltjes alle zijwortels hebben.

Een late zware aantasting van het noordelijk wortelknobbelaaltje leidt niet het stereotype vertakken maar to volledige afstomping met de bekende knobbeltjes op de zijwortels.

Al in een jong stadium is de penwortel volledig vernield. Bovengronds ziet het er nog aardig uit maar een misoogst is zeker.