Snelzoeken

Vind snel gegevens voor:
in gewas:

Meloidogyne fallax in peen

Het bedrieglijk maïswortelknobbelaaltje vermeerdert zich goed op peen. Bovendien veroorzaakt het aaltje ernstige schade. Deze schade betreft vooral de kwaliteit van de peen.
Op de (pen)wortels worden knobbels gevormd die met het blote oog kunnen worden gezien. Op deze knobbels ontstaan weer zijknobbels. Wanneer in het gewas verdachte plekken worden aangetroffen, is het raadzaam enkele planten voorzichtig op te spitten en te bekijken op knobbelvorming. Bij Meloidogyne chitwoodi (en Meloidogyne fallax) ontstaan er langgerekte knobbels zonder zijwortelvorming. De penwortels maken een puisterige indruk bij aantasting van deze twee aaltjes door het opzwellen van de lenticellen. De symptomen van beide aaltjes zijn niet van elkaar te onderscheiden.

Het maïswortelknobbelaaltje (Meloidogyne chitwoodi ) en het bedrieglijk maïswortelknobbelaaltje (Meloidogyne fallax) komen beide voor op zand- en dalgronden en zavel lichter dan 20% afslibbaar. Meloidogyne chitwoodi en M. fallax hebben een zeer brede waardplantenreeks en zijn daardoor binnen het bouwplan moeilijk te bestrijden.  Bij deze aaltjes kan al bij zeer lage besmettingsniveaus schade ontstaan. Op gewassen met lange teeltseizoenen kunnen twee tot drie generaties vermeerderen. Hierdoor kunnen zeer lage besmettingen binnen 1 jaar uitgroeien tot forse populaties.

Gevaarlijk aspect van deze soorten is dat ze overgaan met plant- en pootgoed. Met name gladiolen en pootaardappelen zijn daarbij potentiële besmettingsbronnen. De EU heeft beide aaltjessoorten daarom tot quarantaineorganismen uitgeroepen. Dit betekent dat vermeerderingsmateriaal vrij moet zijn van symptomen.

Wanneer er op een perceel gewassen geteeld worden die gevoelig zijn voor schade en onbekend is of er wortelknobbelaaltjes voorkomen is een Melo-Intensieve bemonstering een goede investering. Laat deze bemonstering bij voorkeur uitvoeren na de teelt van een sterk vermeerderend gewas zoals aardappel en dan uiterlijk half november. Met deze wijze van bemonstering kan met meer dan 90% zekerheid vastgesteld worden of wortelknobbelaaltjes binnen een perceel voorkomt en op welke plek(ken).


De schadedrempel voor (bedrieglijk) maiswortelknobbelaaltjes ligt rond de 10 larven per kilo grond.

  • Inunderen is een heel effectieve methode gebleken tegen M. chitwoodi. Vanwege de benodigde bodemtemperatuur van 17 graden is een periode van 14 weken in de zomermaanden nodig voor een volledige doding. Of M. fallax ook bestreden wordt door inunderen is niet bekend. M. hapla wordt wel bestreden door inunderen, M. naasi niet.
  • Net als voor de andere wortelknobbelaaltjessoorten biedt zwarte braak een goede mogelijkheid besmettingen af te bouwen. Dit is echter lang niet op alle percelen uitvoerbaar vanwege stuiven, slempen en zware onkruiddruk. Naast braak verlagen korte teelten de populatie. Voorbeelden zijn spinazie en ijsbergsla. Deze gewassen moeten dan wel zo kort mogelijk op het veld staan, waardoor ze als een soort vanggewas werken.
  • Teel voorafgaand aan een gevoelig gewas een gewas dat geen waardplant is voor M. fallax, namelijk witlof, stamslaboon,en diverse bolgewassen, zoals lelie. Als alternatief kunt u een gewas telen dat M. fallax weinig vermeerdert, zoals ui en granen. Zorg voor een perfecte onkruidbestrijding.
  • Kies na de hoofdteelt zorgvuldig voor een groenbemester die geen of weinig vermeerdering van M. fallax geeft.  Of teel na het hoofdgewas alleen een groenbemester als stuifdek en spuit dit vijf weken na opkomst dood. Laat in geen geval een vatbare groenbemester de winter overstaan. 
  • Door grote sterfte bij oplopende temperaturen kan uitstel van zaai- en planttijdstip een sterke  verlaging van de besmetting opleveren, waardoor het toch mogelijk is om kwalitatief goede peen te telen.
  • In combinatie met het hierboven genoemde kan de toepassing van granulaat in een halve dosering volvelds,  bij een zeer lichte M. fallax besmetting een gunstige invloed hebben op de opkomst en de penvorming. Het effect van een granulaat is sterk afhankelijk van de omstandigheden, waarbij pH en vocht van belang zijn. Resultaten zijn daarom wisselend. Volveldstoepassingen zijn alleen op zand-, dal- en lichte zavelgrond mogelijk, omdat granulaten op zwaardere gronden slecht in te werken zijn. Rijentoepassingen kunnen op lichtere gronden schade voorkomen, maar ze zijn onvoldoende lang werkzaam om aaltjesvermeerderingen te remmen. De teelt van bijvoorbeeld aardappelen, peen en schorseneren blijft risicovol, omdat de enkele individuen die overleven toch grote problemen kunnen veroorzaken.
  • Alleen als aanvullende maatregel kan een natte grondontsmetting onder gunstige omstandigheden de besmetting voor een deel saneren. Dit zal als enige maatregel nooit voldoende zijn om (kwaliteits)schadevrij te kunnen telen bij de zeer gevoelige gewassen. Een grondontsmetting kan een verkeerde gewas- en rassenkeuze nooit compenseren! Natte grondontsmetting is eens in de vijf jaar toegestaan. Het moment waarop deze wordt uitgevoerd, is cruciaal. De ontsmetting kan het best na een graangewas worden uitgevoerd. De structuur is dan goed en er is voldoende tijd om goede ontsmettingsomstandigheden af te wachten. Belangrijk is dat de grond zaaivochtig is en de bodemtemperatuur boven de 7° Celsius ligt.  Het best is de ontsmetting te laten volgen door een gewas dat schadegevoelig is, maar het aaltje slecht vermeerdert, bijvoorbeeld suikerbiet. Zo heeft men langer profijt van de ontsmetting.

 

Symptomen van (bedrieglijk) maïs wortelknobbelaaltje op peen; opgezwollen lenticellen.