Snelzoeken

Vind snel gegevens voor

in gewas


Zoeken
 

Meloidogyne chitwoodi in peen

Het maïswortelknobbelaaltje vermeerdert zich matig op peen. Bovendien veroorzaakt het aaltje ernstige schade. Deze schade betreft vooral de kwaliteit van de peen.
Op de (pen-)wortels worden knobbels gevormd die met het blote oog kunnen worden gezien. Op deze knobbels worden weer zijworteltjes gevormd. Wanneer in het gewas verdachte plekken worden aangetroffen, is het raadzaam enkele planten voorzichtig op te spitten en te bekijken op knobbelvorming. Bij Meloidogyne chitwoodi (en Meloidogyne fallax) ontstaan er langgerekte knobbels zonder zijwortelvorming op de wortels. De penwortel maakt een puisterige indruk door het opzwellen van de lenticellen.

Wortelknobbelaaltjes kunnen onder gunstige omstandigheden wel drie generaties per jaar vormen. Daardoor kunnen lage aantallen aan het begin van het seizoen toch oplopen tot hoge dichtheden later in het seizoen.
De schadedrempel voor maïswortelknobbelaaltjes ligt rond de 10 larven per kilo grond.

Bestrijdingsadvies

  • Zwarte braak is de beste mogelijkheid om besmettingen met het maïswortelknobbelaaltje af te bouwen. Natuurlijk moet er geen onkruid of opslag voorkomen waar het aaltje op kan overleven of vermeerderen. Hoewel de meeste sterfte optreedt bij een volledig seizoen van zwarte braak is dit niet altijd noodzakelijk. 
  • Door grote sterfte bij oplopende temperaturen kan uitstel van zaai- en planttijdstip een sterke verlaging van de besmetting opleveren, waardoor het toch mogelijk is om kwalitatief goede peen te telen.

In combinatie met het hierboven genoemde kan de toepassing van granulaat in een halve dosering volvelds,  bij een zeer lichte M. chitwoodi besmetting een gunstige invloed hebben op de opkomst en de penvorming. Het effect van een granulaat is sterk afhankelijk van de omstandigheden, waarbij pH en vocht van belang zijn. Resultaten zijn daarom wisselend. Volveldstoepassingen zijn alleen op zand-, dal- en lichte zavelgrond mogelijk, omdat granulaten op zwaardere gronden slecht in te werken zijn. Rijentoepassingen kunnen op lichtere gronden schade voorkomen, maar ze zijn onvoldoende lang werkzaam om aaltjesvermeerderingen te remmen. De teelt van bijvoorbeeld aardappelen, peen en schorseneren blijft risicovol, omdat de enkele individuen die overleven toch grote problemen kunnen veroorzaken.
Alleen als aanvullende maatregel kan een natte grondontsmetting onder gunstige omstandigheden de besmetting voor een deel saneren. Dit zal als enige maatregel nooit voldoende zijn om (kwaliteits)schadevrij te kunnen telen bij de zeer gevoelige gewassen. Een grondontsmetting kan een verkeerde gewas- en rassenkeuze nooit compenseren!

Vanaf 2001 is natte grondontsmetting eens in de vijf jaar toegestaan. Het moment waarop deze wordt uitgevoerd, is cruciaal. De ontsmetting kan het best na een graangewas worden uitgevoerd. De structuur is dan goed en er is voldoende tijd om goede ontsmettingsomstandigheden af te wachten.
Belangrijk is dat de grond zaaivochtig is en de bodemtemperatuur boven de 7° Celsius ligt.
Het best is de ontsmetting te laten volgen door een gewas dat schadegevoelig is, maar het aaltje slecht vermeerdert, bijvoorbeeld suikerbiet. Zo heeft men langer profijt van de ontsmetting.


 

 

gezwollen lenticellen peen, veroorzaakt door M. chitwoodi