Snelzoeken

Vind snel gegevens voor

in gewas


Zoeken
 

Globodera rostochiensis en G. pallida in aardappel

Aardappelcysteaaltjes vermeerderen sterk op aardappel en veroorzaken ernstige schade.

Er zijn twee soorten aardappelcysteaaltjes: Globodera rostochiensis (geel aardappelcysteaaltje) en Globodera pallida (wit aardappelcysteaaltje). Er zijn grote rasverschillen in aardappel ten aanzien van resistentie en tolerantie (het zonder schade verdragen van hoge aantallen aaltjes).

Een valplek van aardappelmoeheid (AM) begint met een paar planten die in groei achterblijven. Dan al is door opspitten vast te stellen dat het om aardappelcysteaaltjes gaat. Bij de volgende teelt is de plek iets groter. De plek heeft een ovale vorm met de bewerkingsrichting mee. De gewasrijen in de besmette plek sluiten een paar dagen later. Wanneer dit probleem niet wordt herkend kan het uit de hand lopen en uiteindelijk kan de schade bij zeer zware besmettingen oplopen tot 80% opbrengstreductie. p>

Vanwege de grote schadelijkheid zijn de aardappelcysteaaltjes quarantaineorganismen waarvoor wettelijke regelingen gelden. Kijk hiervoor op de site van de Plantenziektenkundige dienst, www.minlnv.nl/pd.

Zie ook dit filmpje van een presentatie over aardappelcysteaaltjes

Bestrijdingsadvies

Een veilige teeltfrequentie met vatbare rassen is eens in de zes jaar of ruimer. Aardappelopslag in tussenliggende teelten moet dan uiterlijk in juni bestreden zijn. De teeltfrequentie kan zonder risico worden verhoogd wanneer er AM-resistente rassen worden ingezetVoor de beheersing van Globodera rostochiensis zijn er voldoende rassen beschikbaar. De situatie voor Globodera pallida ligt veel ingewikkelder. De resistentie in de beschikbare resistente rassen werkt niet zo absoluut als hierboven voor Globodera rostochiensis beschreven. De  G. pallida-resistentie in de huidige resistente rassen laat altijd de vorming van enige nieuwe cysten toe. Hoe hoog het resistentie niveau ook is, er blijft altijd besmetting over. Afhankelijk van de mate van resistentie van het geteelde ras en de agressiviteit van de populatie ligt de einddichtheid na de teelt hoger of lager. De consequentie is dat het gehele perceel naar een evenwichtbesmetting toegroeit. Het is zaak de teeltfrequentie en de rassen zo te kiezen dat de beginbesmetting voor de volgende aardappelteelt onder de schadedrempel komt te liggen. Een natte grondontsmetting kan de aanwezige besmetting verlagen, maar zal zonder de inzet van resistente rassen niet voldoende zijn om een besmetting langdurig te beheersen. Granulaten, in een halve dosering volvelds toegepast, voorkomen de vermeerdering van de aaltjes niet maar zorgen wel dat er minder vermeerdering van de aaltjes zal zijn. Granulaten worden daarom meestal ingezet bij minder tolerante rassen en bij partieel resistente rassen om vermeerdering zoveel mogelijk te beperken en daarmee ook schade te beperken of te voorkomen. De werking van granulaten is niet op alle grondsoorten even effectief. Kijk voor de juiste toelatingen op de site van het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (CTGB) http://www.ctb-wageningen.nl/ Aardappel als vanggewas telen is een officiele bestrijdingsmethode om een populatie te saneren. Mits zorgvuldig uitgevoerd kan er wel tot 80 procent verlaging van de populatie optreden. Dit heeft niet direct een groot effect op de detectiekans omdat deze uitgaat van cysten met levende inhoud, en ook met 80 procent sanering zullen er in de cysten nog enkele levende eieren achterblijven.

Ook raketblad is erkend als officiele bestijdingsmaatregel, de sanerende werking hiervan is erg wisselend. Dit is afhankelijk van het slagen van de teelt. Zie hiervoor de informatie bij het gewas raketblad.

Achtergrondinformatie

De schadegevoeligheid van resistente rassen (tolerantie) kan sterk verschillen. Schadegevoeligheid van een ras staat namelijk los van resistentie. Zo zijn er rassen die niet snel schade laten zien maar het aaltje sterk vermeerderen en andersom. Wanneer een perceel besmet is, kan er bij de teelt van een resistent maar intolerant ras dus toch forse schade optreden. De huidige indeling in resistenties tegen AM geeft geen goed beeld van de werkelijkheid. Voor rostochiensis is hier wel mee te werken (Ro1 (A), Ro2 (B/C). Daarnaast bestaat er nog Ro3 en Ro4 maar deze pathotypen komen in Nederland nauwelijks voor). Bij G. pallida is de indeling in Pa2 (D) en Pa3 (E) onvoldoende (Er bestaat ook nog Pa1 maar deze komt in Nederland niet voor). Uit onderzoek met meer dan 100 G. pallida-populaties is namelijk gebleken dat er geen sprake is van een aantal duidelijk afgebakende virulentiegroepen binnen G. pallida maar dat het een range is. Om er zeker van te zijn dat nieuwe rassen voldoende resistent zijn, richt de veredeling zich nu op een aantal extremen uit deze range. Het gaat er bij de consumptie- of de fabrieksaardappelteelt om dat de in het rassenassortiment aanwezige partiële resistentie van voldoende hoog niveau is om, in de gewenste teeltfrequentie, de op het perceel aanwezige populatie op niet schadelijke niveaus te houden. In een pootgoedteelt moet de besmetting onder de PD-detectiegrens blijven.

 

 

Bij een lichte besmetting blijven een aantal planten tijdelijk in groei achter. Nu al is door het opspitten van een plant vast te stellen dat het om aardappelcysteaaltjes gaat.

 

 

Een valplek van aardappelmoeheid begint met een paar planten die in groei achterblijven. Dan al is door opspitten vast te stellen dat het om aardappelcysteaaltjes gaat. Bij de volgende teelt is de plek iets groter. De plek heeft een ovale vorm met de bewerkingsrichting mee. De rijen in de besmette plek sluiten een paar dagen later. Wanneer dit probleem niet wordt herkend kan het uit de hand lopen en uiteindelijk kan de schade bij zeer zware besmettingen oplopen tot 80%.

 

Wanneer het probleem niet wordt herkend loopt het uit de hand. Bij een zware besmetting kan de schade oplopen tot 80% procent opbrengstverlies.